nov
25
2020

AAN TAFEL MET ONZE MINISTER VAN CULTUUR

Sociaal-cultureel werken

Blog

Toegegeven, enkele maanden geleden hadden we ons het ontbijtgesprek met minister van Cultuur Jambon net iets anders voorgesteld. Weg waren de croissants, de pistolets en het glas versgeperst appelsiensap. In ruil kregen we in ons kot een scherm voor de neus en een tas zelf gezette koffie. Maar kijk soms is er niet meer nodig om te komen tot een goed gesprek tussen zeven bevlogen sociaal-cultureel werkers en een Vlaams minister-president.

In het kader van de Trefweek 2020 dekte Socius de ontbijttafel niet alleen voor minister Jambon. We voorzagen ook plek voor sociaal-cultureel werkers die een prangende vraag naar de tafel wilden brengen. Tom Lemahieu, praktijklector sociaal-cultureel werk aan de HOWEST, nam de rol van gastheer op zich en loodste de tafelgenoten vakkundig door alle kwesties waarbij de focus geleidelijk van breed naar concreet verschoof. Van vragen over het nieuwe decreet, naar de uitdagingen rond de laboratoriumrol tot aan het belang van scharrelruimtes en drempelbezoeken.

Anton Smagghe (UNIZO): Welke rol ziet u weggelegd voor het middenveld bij het capteren en stimuleren van maatschappelijke evoluties? Hou verhoudt de politiek zich daartoe? En hoe kunnen we daarin samenwerken?

Jan Jambon: “Als beleid willen we de rol van het sociaal-cultureel werk ten aanzien van maatschappelijke innovatie bevestigen én versterken. In het nieuwe decreet leggen we zowel in de evaluatie als binnen de beoordelingskaders de expliciete link tussen de werking van een organisatie en de maatschappelijke context waarbinnen die organisatie functioneert. Het decreet heeft de sociaal-culturele methodiek geherdefinieerd naar drie rollen. Eén van die rollen, de laboratoriumrol speelt in op het capteren van maatschappelijke innovatie. We willen organisaties ertoe aanzetten om te experimenteren met nieuwe maatschappelijke spelregels die een antwoord kunnen bieden op samenlevingsvraagstukken.”

“De vraag is of we daarin slagen. Het decreet is uiteraard nog vrij nieuw. Als ik bijvoorbeeld kijk naar de subsidielijn voor projecten in het kader van de laboratoriumrol dan stel ik vast dat de afgelopen 3 jaar 12 organisaties projectsubsidies voor één- of meerjarige projecten hebben ontvangen voor bedragen tussen 34.000 en 150.000 euro. Maar uit de evaluatie van de subsidieaanvragen blijkt ook dat er nog groeipotentieel is op het vlak van de laborol. Die rol is nieuw en het is dus logisch dat die nog verder moet ‘geabsorbeerd’ worden door organisaties. De meeste organisaties scoren al redelijk goed tot uitstekend op deze rol, maar een niet te verwaarlozen minderheid ondervindt toch moeilijkheden om die maatschappelijke innovatiereflex structureel in haar werking op te nemen. Daar zullen we bij de evaluatie van het decreet een antwoord op moeten bieden.”

Anton Smagghe (UNIZO): Wat zijn dan die innovatietendensen waar het sociaal-cultureel werk zich volgens u moet mee bezighouden?

“Als we willen inzetten op maatschappelijke integratie dan is het opnemen van mensen in het verenigingsleven volgens mij een van de meest doeltreffende manieren om dat te verwezenlijken.”

Jan Jambon: “Ik denk dat we de diverse samenleving op een natuurlijk manier in de werking van organisaties moeten laten opnemen. Met natuurlijke manier bedoel ik dat we rekening moeten houden met de context waarbinnen organisaties opereren. Er is in een verschil tussen het actief zijn binnen een stedelijk weefsel en binnen een context waar die maatschappelijk diversiteit nog niet zo is doorgedrongen. En voor alle duidelijkheid, diversiteit gaat voor mij breder dan mensen met een migratieachtergrond. Als we willen inzetten op maatschappelijke integratie dan is het opnemen van mensen in het verenigingsleven volgens mij een van de meest doeltreffende manieren om dat te verwezenlijken.”

“Daarnaast denk ik spontaan ook aan de digitalisering. Er blijven momenteel mensen achter die veel van dit alles niet hebben meegekregen. En dat zijn lang niet alleen senioren. Ik ken heel wat senioren waar ik nog veel van kan bijleren op het vlak van digitalisering (lacht). Maar je kan mensen niet verplichten. De vraag is dus hoe je mensen op een laagdrempelige manier kan meekrijgen in die digitale samenleving.”

Ann Decorte (vrijwilliger bij Ithaka): Bij Ithaka, een klein coachingscentrum voor mensen met een beperking, werken we al jaren met zeer kleine, inclusieve projecten. Cultuur speelt daarin een heel belangrijke rol. We coachen mensen met een beperking om deel te nemen aan cultuur en ondersteunen organisaties om drempels weg te werken. We nemen de laboratoriumrol al jaren op maar merken dat het steeds moeilijker wordt om de meerwaarde van onze werking in kaart te brengen. Vroeger volstonden onze getuigenissen. Nu lijkt er precies minder ‘scharrelruimte’ voor dit sociaal-cultureel werk ten voordele van grotere projecten.

Jan Jambon: “Scharrelruimte deed me tot hiertoe altijd aan een kippenhok denken (lacht), maar het klopt dat het budget dat we binnen de projectsubsidies voorzien nog redelijk beperkt is waardoor er mogelijk projecten uit de boot vallen. In de toekomst willen we daar wel voor uitbreiding zorgen. Zo zullen er volgend jaar via het DAC – derde arbeidscircuit al extra middelen naar die projectlijn gaan. Ik begrijp uit de vraag dat het voor kleine niet-gesubsidieerde organisaties moeilijk is om een beroep te doen op deze subsidielijn, terwijl ik denk dat je daar wel moet terechtkunnen. Met kleine dingen kun je immers soms maatschappelijk een en ander in beweging krijgen. Dat is dus iets om mee te nemen. Het stond niet op mijn radar, maar nu staat het erop.”

Tom Joos (Gezinsbond): Het nieuwe decreet had de ambitie om meer dynamiek in de sector te krijgen zowel op het vlak van de instroom als van de uitstroom en om te zorgen voor een meer financieel dynamisch kader. Vindt u dat het uiteindelijk resultaat tegemoetkomt aan deze ambitie?

Jan Jambon: “Bij de zogenaamde ‘uitstroom’ hebben we de evaluatie van de reële werking door de visitaties zwaarder laten doorwegen dan de beoordeling van de beleidsplannen voor de volgende periode. Op basis van de verschillende visitaties en de remediëringstrajecten hebben we besloten 7 organisaties niet langer te subsidiëren. Bij de behandeling van de subsidieaanvragen adviseerde de beoordelingscommissie om de ondersteuning van 7 organisaties te stoppen. Omdat het decreet nog nieuw is en sommige organisaties nog worstelen met het nieuwe beoordelingskader, heb ik besloten die subsidiëring toch verder te zetten. Uiteindelijk hadden die organisaties wel een gunstige beoordeling van de visitatiecommissie gekregen, waarmee ik niet wil zeggen dat ik minder belang hecht aan het advies van de beoordelingscommissie. We wilden alleen rekening houden met het feit dat het om een nieuw decreet ging.” 

Het is nooit onze bedoeling geweest om een kaalslag in de sector te realiseren, maar het voorgaande duidt er toch op dat de moed er is om beslissingen aan de uitstroomkant te nemen.”

 Het is sowieso nooit onze bedoeling geweest om een kaalslag in de sector te realiseren, maar het voorgaande duidt er toch op dat de moed er is om beslissingen aan de uitstroomkant te nemen. Tegelijkertijd hebben we gezorgd voor de instroom van 18 nieuwe organisaties.”

“Maar het is voor mij duidelijk dat we na deze eerste toepassing van het decreet moeten bijsturen. We gaan daarvoor de tijd nemen en dat doen in overleg met de organisaties, met Socius … maar de evaluatie van de werking van de organisaties zal blijven.”

Tom Joos (Gezinsbond): Na de beoordeling van de subsidieaanvragen in oktober volgde er inderdaad gelukkig geen kaalslag in de sector. De werkingsmiddelen zijn wat herschikt en er zijn nieuwkomers bijgekomen. Maar ik ben benieuwd naar het toekomstperspectief. Hoe zal hier later mee omgegaan worden?

Jan Jambon: “Zoals gezegd denk ik dat het nooit een doelstelling kan zijn van een beoordeling om een bepaald aantal organisaties uit de sector te gooien. Je vertrekt vanuit een decreet en de bedoelingen en criteria die daarbij horen. Je kan organisaties die daaraan voldoen niet weigeren gewoon omdat je meer dynamiek wil. We hebben nu enige clementie getoond. Ik denk dat je als overheid coachend moet optreden als je met iets nieuws start. Maar op een bepaald moment moet je die coachende rol laten varen en forsere beslissingen nemen.”

Tom Joos (Gezinsbond): Vraag is of de middelen dan ook zullen volgen.

Jan Jambon: “Als je die ezel weet staan met de staart omhoog, moet je me dat vooral weten te zeggen (lacht). Wat de middelen betreft, weten we dat die altijd te beperkt zullen zijn. Daar zullen we altijd mee worstelen. En ik hoop dat ook. Ik bedoel daarmee dat ik hoop dat er altijd meer vraag, meer dynamiek is dan beschikbare middelen.”

“Ik hoop dat er altijd meer vraag, meer dynamiek is dan beschikbare middelen.”

Tom Joos (Gezinsbond): Het concept van planning op vijf jaar waarmee organisaties werken roept in deze coronatijden vragen op. Hoe staat u daar tegenover?

“De evaluatiecyclus van plannen, evalueren en bijsturen laat net toe dat je je plannen wijzigt vanwege de maatschappelijke context.”

Jan Jambon: “Ik moet maar naar mijn eigen regeerakkoord kijken (lacht). Bij de start van deze legislatuur hadden we ook niet gedacht dat we met deze situatie geconfronteerd zouden worden. We zijn dus niet blind voor de huidige omstandigheden. Corona gooit roet in het eten. Een plan is wat het is. Dat is iets wat je opstelt met de informatie en binnen de context die meespeelt op het moment dat je het maakt. De evaluatiecyclus van plannen, evalueren en bijsturen laat net toe dat je je plannen wijzigt vanwege de maatschappelijke context.”

Frieda Bex (Welzijnszorg): In het nieuwe decreet wordt het werken met kansengroepen voor alle organisaties gestimuleerd. Het bereiken van deze kansengroepen is in deze coronatijden zeer moeilijk. We weten ook dat eens deze crisis bezworen is, we veel moeite gaan hebben om deze groepen opnieuw te laten participeren. Mensen haken af. Ik ben blij te lezen in uw beleidsbrief dat u projectmiddelen wil inzetten om bepaalde groepen te activeren. Maar hoe denkt u dat concreet te doen?

Jan Jambon: “De ambitie om organisaties meer kansengroepen te laten bereiken is inherent verbonden met sociaal-cultureel werk. Het inzetten op de participatie van zo breed mogelijke maatschappelijk groepen, is een hoeksteen van deze sector. Maar uit de evaluatie van de visitatiecommissies weten we dat dat allerminst als een evidentie wordt ervaren. Heel wat organisaties worstelen met de participatie en inclusie van kansengroepen, terwijl dit expliciet is meegenomen binnen de doelstellingen van het decreet. Een aantal organisaties zullen dit dus meer moeten opnemen in hun werking.”

Frieda Bex (Welzijnszorg): Het is belangrijk dat we ook in deze tijden via bijvoorbeeld drempelbezoeken contact houden met deze mensen. Het aan de deur ontmoeten van mensen is echter op dit moment niet mogelijk door de coronarichtlijnen.

Jan Jambon: “Bij het verbieden van de drempelbezoeken stel ik me vragen. Bol.com en Post.nl mogen wel aan huis komen om een pakketje af te leveren, maar de vrijwilliger om de hoek die weet dat er iemand eenzaam thuis zit die mag geen babbeltje aan de deur gaan doen. Dat is schrijnend. Ik neem dat punt volgende week mee naar het overlegcomité. Bedankt om dat in te brengen. Ik had daar nog niet bij stilgestaan.”

Davide Secci (çavaria): Op federaal niveau besloot men om meer in te zetten op genderinclusiviteit. Hoe zullen onze LGBTQI-verenigingen daar iets van merken, gezien sociaal-cultureel werk een Vlaamse bevoegdheid is? We weten dat het verenigingsleven de ideale preventie is tegen de hogere suïcidecijfers in de regenbooggemeenschap.

 Jan Jambon: “Beleidsmakers zetten momenteel veel in op het onder controle krijgen van het coronavirus, maar helaas gaan tegelijkertijd alle parameters van de geestelijke gezondheidszorg de hoogte in: suïcide, intrafamiliaal geweld … Je kan dit door de huidige omstandigheden wel verklaren, maar het wordt tijd dat daar terug meer aandacht naar uitgaat. Specifiek wat de gendergelijkheid betreft scoort Vlaanderen binnen de internationale context al hoog. Maar goed, voor je de absolute gelijkheid bereikt moet je daar niet al te veel mee schermen. Er blijft nog altijd een kloof in gendergelijkheid en ook daar is het sociaal-cultureel werk een belangrijke partner om ons bij de les te houden. We krijgen die impulsen ook regelmatig van organisaties zoals Femma, Furia, çavaria … Jullie houden het vuur aan de lont.”

“Naar mijn aanvoelen zou het voeren van een integriteitsbeleid onderdeel moeten zijn van het zakelijk beleid van elke organisatie.”

“Voor de Vlaamse regering is de strijd tegen alle vormen van gendergerelateerd geweld één van onze prioriteiten. We werken daar momenteel een actieplan voor uit. Daarbij besteden we bijzondere aandacht aan de LGBTQI-gemeenschap. Dat plan bouwt voort op acties die we eerder al in verschillende sectoren hebben ondernomen en wordt nu uitgebreid. Zo bekijken we ook hoe we het actieplan grensoverschrijdend gedrag dat we voor de cultuursector ontwikkelden, breder kunnen uitrollen. Naar mijn aanvoelen zou het voeren van een integriteitsbeleid onderdeel moeten zijn van het zakelijk beleid van elke organisatie.”

Davide Secci (çavaria): Zoals veel andere organisaties zijn we sterk gegroeid de afgelopen jaren. Het aantal aangesloten verenigingen is bijna verdubbeld, maar onze middelen zijn hetzelfde gebleven waardoor de ondersteuning die we kunnen bieden moeizamer verloopt. Wat kan hier eventueel nog gedaan worden?

Jan Jambon: “We gaan proberen de enveloppe voor de sector de komende jaren wat te laten stijgen. Maar ik zal eerlijk zijn. De budgettaire uitdaging waar we als Vlaamse regering voor staan, is gigantisch. Ik heb van de vorige ploeg een begroting in evenwicht gekregen, vandaag is de prospectie dat bij ongewijzigd beleid in 2024 onze begroting 2,5 miljard in het rood zal gaan. Op een begroting van 50 miljard is dat immens. We hebben de ambitie laten varen om tegen het einde van de legislatuur een begroting in evenwicht te hebben, dus drastische besparingen moet je niet vrezen. Maar ik zou liegen als ik zeg dat er in de nabije toekomst veel rek op de middelen zal zitten.”

Jan Haegeman (Voedselteams): Met Voedselteams zorgen we voor een belangrijke economische meerwaarde bij onze lokale boeren. Die investering van de Vlaamse overheid loont dus. Maar we zijn ook vragende partij om bepaalde zaken aan te passen waar we zelf geen vat op hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan regelgevingen die ertoe kunnen leiden dat bepaalde klimaatdoelstellingen kunnen behaald worden. Bent u bereid om ook oplossingen te simuleren die op dit vlak van onderuit komen?

Jan Jambon: “Ik denk dat we dat in ons klimaatplan vervat hebben met de klimaattafels die we nu opzetten. Dat is op het niveau van de lokale besturen en daar willen we ook lokale actoren bij betrekken. Zal daar ook iets uit voortkomen? Dat is niet vrijblijvend, daar moeten effectieve maatregelen uit voortvloeien. Door het kwantificeren van de doelstellingen en door de verschillende acties die in het plan zijn opgenomen, weten we tot welke CO2-reductie we willen komen. Wat eruit de tafels komt, moet je dus ook omzetten in beleid anders haal je die doelstellingen niet.”

Ivy Goutsmit (FMDO): Het was even schrikken toen we u vorig jaar hoorden zeggen dat organisaties die zich terugplooien op hun etnisch-culturele basis niet langer kunnen rekenen op subsidies. We beseffen nu dat die uitspraak niet op ons van toepassing is. Onze lidverenigingen plooien zich niet terug en kunnen terugvallen op een heel diverse achterban. Toch worden etnisch-culturele federaties en hun lidverenigingen nog steeds in een negatief daglicht geplaatst door de media en de politiek. Niet zo in de praktijk. Daar zijn we vaak prioritaire partners voor steden en andere organisaties. Hoe kan u ons helpen met het doorprikken van dat beeld? Als het op verbinden aankomt zijn we immers een bondgenoot en geen vijand.

 Jan Jambon: “Voor alle duidelijkheid die uitspraak is niet van toepassing op organisaties zoals FMDO, die gaan immers net de segregatie tegen. Het heeft dus niet te maken met migratieachtergrond, maar met segregatie. Met organisaties die zich volledig terugplooien op zichzelf en niet meer openstaan voor de integratie in onze maatschappij. Ik besef dat veel organisaties van mensen met een migratieachtergrond zich net inzetten voor het doorbreken van deze schotten. Dat zijn onze partnerorganisaties.”

“Ik stel geen grenzen aan bonding. Maar als die niet gepaard gaat met bridging, hebben we een probleem.”

“Het is niet verboden dat mensen zich verenigen rond een bepaald thema of een culturele achtergrond. Het hangt er gewoon van af hoe ze zich opstellen. Organisaties die ervoor kiezen om zich volledig terug te plooien hebben het recht om dat te doen, maar we zullen ze niet langer subsidiëren. Ik stel met andere woorden geen grenzen aan bonding. Maar als die niet gepaard gaat met bridging, hebben we een probleem.”

“De vraag is uiteindelijk waar we als overheid onze middelen willen op in zetten. En wij willen die besteden aan organisaties die zich inzetten voor het bestrijden van de negatieve beeldvorming rond de verschillende gemeenschappen in de samenleving en voor het doen lukken van het integratietraject. Om een inclusieve maatschappij te realiseren moeten we daarnaast ook alle vormen van discriminatie verwerpen en daartegen optreden. Daar speelt het sociaal-cultureel werk een belangrijke rol in. Het behoort immers tot de kernopdracht van deze sector om bij te dragen aan een democratische, duurzame, inclusieve en solidaire samenleving. Dat heeft veel met te maken met beeldvorming en angst voor het onbekende. Je moet ook het Vlaamse integratiebeleid voor ogen nemen. Daar leggen we expliciet de nadruk op het belang van sociale netwerken. Als overheid moeten we contexten faciliteren waarin zulke netwerken groeien. Het ondersteunen van het sociaal-cultureel werk is daar een belangrijke factor in. Sociale netwerken stimuleren niet alleen de participatie aan de samenleving maar ook onze beeldvorming ten aanzien van elkaar.”

Met dank aan onze vraagstellers van dienst: Frieda Bex, Ann Decorte, Ivy Goutsmit, Jan Haegeman, Tom Joos, Davide Secci en Anton Smagghe.

Over de Trefweek

De Trefdag is normaal gezien hét jaarlijkse netwerkmoment van de sociaal-culturele sector. Dit jaar daagde corona ons uit om wat creatiever te zijn. Het resultaat: een gratis online event dat een week duurde met verschillende Zoomdebatten, webinars, informele netwerkmomenten en nabesprekingen. Je kan alle sessies gratis herbekijken op trefweek2020.socius.be/herbekijk.


Max Frans

Max Frans

Scroll naar top