In een samenleving waar verschillen steeds zichtbaarder worden, zoeken sociaal-culturele organisaties naar manieren om die diversiteit te omarmen. Maar wat betekent samenleven in verschil? Antropologe Iman Lechkar (VUB) en stadssocioloog Stijn Oosterlynck (UAntwerpen) onderzoeken het thema elk vanuit hun eigen vakgebied. In dit gesprek vertellen ze hoe macht, geschiedenis en sociale ongelijkheid meebepalen wie gehoord wordt, en waarom verbinding pas mogelijk is als we ook durven politiseren. “Verbinden en confronteren is geen tegenstelling”, klinkt het. “Dat is precies wat onze tijd nodig heeft.”

Prof. Dr. Iman Lechakar
behaalde een master in toegepaste taalkunde
Engels-Spaans-Arabisch, een master in
internationale betrekkingen en een doctoraat in
de sociale en culturele antropologie. Ze werkte
als doctoraats- en postdoctoraal onderzoeker
aan de KU Leuven en was docent aan de Odisee
Hogeschool binnen de opleiding sociaal werk.
Momenteel is Iman Lechakar postdoctoraal
onderzoeker en houder van de Fatima Mernissileerstoel aan de VUB.

Prof. Dr. Stijn Oosterlynck
is hoogleraar stadssociologie. Hij is lid van het
Centre for Research on Environmental and Social
Change en van het bestuur van het Antwerp Urban
Studies Institute. Hij is wetenschappelijk directeur
van het Hannah Arendt Instituut voor Diversiteit,
Stedelijkheid en Burgerschap.
Jullie onderzoeken allebei hoe we omgaan met verschil in de samenleving. Waar komt die interesse vandaan?
Iman Lechkar: Ik ben antropologe, maar eigenlijk interdisciplinair gevormd. Ik was altijd al gefascineerd door de sociale en politieke dimensies van cultuur en literatuur. Mijn eerste opleiding was vertaler-tolk (Engels, Spaans en Arabisch). Daarna volgde ik een master-na-master aan de Universiteit Antwerpen in internationale betrekkingen en diplomatie, maar na een stage bij UNESCO verdween het droombeeld om diplomaat te worden. Ik merkte hoe sterk machtsstructuren bepalen wat gezegd mag worden. We mochten bijvoorbeeld niets zeggen over de Koerden of over Berberbewegingen door politieke gevoeligheden. Dat frustreerde me. Ik wilde niet meedraaien in instellingen die ongelijkheid in stand houden, maar begrijpen hoe macht werkt. Bovendien groeide mijn interesse in verhalen van de ‘underdog’ – van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen. Zo begon ik aan de KU Leuven aan een doctoraat over bekeringsprocessen in een klimaat van islamofobie. Hoe komt het dat seculiere Belgen een fascinatie hebben voor de islam en zich zelfs bekeren? Hoe verhoudt die fascinatie zich tot de polarisatie rond islam, die na 9/11 alleen maar groter werd? Ik merkte dat het debat niet enkel ging over “het Westen versus de islam”, maar dat er ook binnen de islam veel interne discussies waren, beïnvloed door grootmachten zoals Iran en SaoediArabië. Die intra-islamitische verschillen wekten mijn interesse. Mijn onderzoek ging dus over seculariteit, religie, bekeringsprocessen, intra-islamitische dynamieken, en geleidelijk ook over de link met de koloniale geschiedenis. Hoe werkt die geschiedenis door in huidige debatten, zowel binnen de islam zelf als in hoe wij in Europa over moslims als minderheid spreken?
Sinds 2017 werk ik aan de VUB als postdoctoraal onderzoek rond islam, macht en gender. Dat kadert in de Fatima Mernissi-leerstoel, waarin we intraislamitische discussies verbinden met thema’s als gender en (neo)koloniale tradities. Binnen die leerstoel hebben we ook een publiekswerking uitgebouwd: kennisdeling met Brusselse organisaties, zeker in de nasleep van de aanslagen. Hoe kunnen we Brusselse organisaties meenemen in onze kennisontwikkeling, en hoe kunnen we van hen leren?
Samenwerken met sociaal-culturele organisaties voedt en versterkt mijn academisch werk. En omgekeerd, omdat die organisaties vaak groepen bereiken die elders geen stem krijgen.

Stijn Oosterlynck: Ik ben stadsocioloog aan de Universiteit Antwerpen. Mijn focus ligt op wat er in steden gebeurt, en in het bijzonder op de omgang met verschil in de stad. Een stad is dynamisch en bestaat uit veel verschillende groepen die niet noodzakelijk een gedeelde geschiedenis of ervaring hebben. De vraag is: hoe leef je samen in dat verschil?
De voorbije vijftien jaar onderzocht ik met collega’s van diverse Vlaamse universiteiten de rol van ‘plaats’. Nationale overheden grijpen vaak terug naar gedeelde waarden, normen en geschiedenis. Maar wij zien dat samenleven ook mogelijk is zonder gedeeld verleden, gewoon door een plaats te delen. Zoals Iman zegt: we kunnen wel een koloniale geschiedenis gemeenschappelijk hebben, maar die elk anders beleven of interpreteren. We kijken hoe mensen die samen werken, wonen en hun vrije tijd delen, via die gedeelde ruimte nieuwe vormen van solidariteit in diversiteit ontwikkelen.
Daarnaast ben ik betrokken bij het Hannah Arendt Instituut, dat wetenschappelijke inzichten probeert te verbinden met maatschappelijke debatten, onder andere over omgaan met verschil.
Iman, jouw onderzoek vertrekt vanuit de manier waarop we in het Westen naar islam en gender kijken. Wat wil je met dat perspectief zichtbaar maken?
Iman: Veel van ons westerse discours over emancipatie is gebouwd op het idee van “de ander”. Die ander is steeds vaker “de moslim”, en dat beeld is erg gegenderd: de onderdrukte islamitische vrouw tegenover de dominante, bedreigende man. Ook in bekeringsverhalen zie je hoe gegenderd dat discours is. Vrouwen die zich bekeren, worden vaak neergezet als emotioneel, naïef of gemanipuleerd; mannen als rationeel en intellectueel.
Ik heb lang geloofd in een verbindend narratief, in het bouwen van bruggen. Maar op een bepaald moment besefte ik: hoe kunnen we bruggen bouwen als “die ander” zogezegd zo gevaarlijk en onverzoenbaar is met “onze westerse waarden”? Toch geloof ik nog steeds in verzoening, maar dan via echte ontmoetingen. Ze creëren relationaliteit: de mogelijkheid om elkaar te begrijpen, niet enkel op intellectueel niveau, maar ook gevoelsmatig. Ze brengen emoties en rationaliteit samen.
Daarom staat in al mijn onderzoek de samenwerking met het middenveld centraal. Sociaal-culturele organisaties investeren in ontmoetingen. Vaak kleinschalig, maar zo cruciaal. Ik kijk naar wat die ontmoetingen teweegbrengen: welke verschuivingen ontstaan er, en hoe speelt dat gegenderde beeld daarin mee?
Een recent voorbeeld is mijn werk rond het ontsluiten van kennis rond Palestina. In het publieke discours wordt dat zelden als een koloniaal project beschreven. Het wordt gereduceerd tot “de strijd tegen Hamas”, opnieuw met dat beeld van de islamitische, mannelijke, terroristische ander. Daarom hebben we met onze leerstoel een jaar lang films getoond om dat beeld te doorbreken. We wilden tonen hoe die dynamieken van bezetting, verzet en gender samenhangen. Voor mij zijn dat de twee sporen die terugkeren: het gegenderde perspectief en het ontsluiten van kennis via ontmoetingen die polarisatie tegengaan.

Stijn, jij kijkt naar verschil in de stad. Hoe onderzoeken jullie dat concreet?
Stijn: Wij waren eerst geïnteresseerd in verschillen tussen etnisch-raciale groepen. We zien dat er in onze samenleving hoge niveaus van solidariteit bestaan, historisch gezien herverdelen we enorm veel. Solidariteit is een breed gedragen waarde, maar ze wordt gedifferentieerd. Bij ouderen, zieken of kinderen is de bereidheid tot solidariteit bijvoorbeeld groot, maar bij mensen met een andere culturele of raciale achtergrond daalt die sterk. Dat motiveerde ons: waarom kunnen we wel solidair zijn, maar trekken we grenzen op basis van culturele of raciale verschillen?
Nu, we wilden dat niet overal en altijd veronderstellen. Diversiteit wordt niet per definitie als een probleem ervaren. We proberen op specifieke plaatsen te kijken welke verschillen daar spelen en hoe mensen ermee omgaan. Soms gaat het niet over over etnische en raciale verschillen, maar speelt bijvoorbeeld de lokale taalproblematiek. In een bedrijf in de Brusselse rand speelden de spanningen tussen taalgroepen een grotere rol dan etnische verschillen.
We onderzoeken dus welke verschillen door mensen zelf relevant worden gemaakt, en hoe ze daar in de praktijk mee omgaan: wie kansen krijgt, met wie men in dialoog gaat … Daarbij nemen we een constructief perspectief op: we zoeken naar wat werkt. Kan de gedeelde plaats waar mensen wonen of werken – bijvoorbeeld een huisvestingscoöperatie of fabriek – solidariteit mogelijk maken, ook al denken mensen heel verschillend of hebben ze vooroordelen?
We kijken ook naar praktijken van “samen doen”. Ontmoetingen in woorden zijn vaak hoogdrempelig, veel mensen haken af zodra het te confronterend wordt. Samen iets doen kan dan een zachtere vorm van ontmoeting zijn.
Tegelijk zijn we niet blind voor structurele machtsverhoudingen. In ons onderzoek naar de automobielsector zagen we bijvoorbeeld dat de diversiteit het grootst was bij de toeleveranciers, waar de lonen het laagst en de contracten het meest precair waren. Je moet dus ook kijken hoe solidariteit zich verhoudt tot ongelijkheid: plaatsen zijn nooit neutraal, ze hebben een geschiedenis en een hiërarchie. In dit geval, de toeleverancier heeft een ondergeschikte positie in de productieketen van auto’s en solidariteit organiseer je dus best ook op het niveau van de hele productieketen.
“Het gaat niet om debat winnen, maar om het debat open te houden: ruimte te maken voor complexiteit.”
Iman Lechkar
Iman, je knikte daarnet toen Stijn het had over “samen doen”. Herken je dat in je eigen werk?
Iman: Zeker, bij ons is doen een belangrijk aspect, maar de dialogische praktijk – het gesprek aangaan – blijft essentieel. Zo hebben we net een groot BELSPO-project afgerond over de re-integratie van terugkeerders. Dat gaat over mensen die naar Syrië zijn gegaan – soms om humanitaire hulp te bieden, soms om zich aan te sluiten bij verzetsgroepen – en die daarna zijn teruggekeerd naar België en een tweede kans willen. Ik was coördinator van dat interdisciplinaire project. We werkten samen met antropologen, communicatiewetenschappers, psychologen, justitiehuizen, magistraten, veiligheidsdiensten, politie, advocaten … om zo samen te zoeken naar herstel.
Doen is belangrijk, maar dan wel evidence-based doen. Laat ons eerlijk zijn: Stijn heeft als witte, mannelijke professor uit de middenklasse meer kans dat zijn woorden als waarheid worden aangenomen dan de mijne, als vrouw van kleur. Als ik iets zegt, twijfelen mensen of wordt dat soms als “biased” beschouwd. Als dezelfde boodschap van een witte professor komt, dan nemen mensen dat wel ernstig. Spivak en Fricker schreven daar al veel over, dat is epistemic injustice: dat de kennis van mensen in gemarginaliseerde posities minder geloofd of gewaardeerd wordt. Maar wij laten ons daardoor niet tegenhouden. We doen het gewoon, met bewijzen. In dat project werkten we in een heel divers team. Die combinatie van dat meerstemmige team gaf een krachtig signaal. Dat voorbeeld toont aan hoe samen doen ook gaat over macht, legitimiteit en erkenning: wie wordt gehoord, wie niet? Ik probeer bewust marginale stemmen te combineren met gevestigde, zodat onze solidariteit niet enkel symbolisch is, maar ook strategisch.
We werkten constructief: hoe creëer je solidariteit tussen mensen met verschillende geschiedenissen, bagage en posities in de samenleving? We spraken ook expliciet over white privilege, en over hoe mensen dat kunnen erkennen. In de eerste fase van het project was er veel scepticisme. Maar doordat onze aanbevelingen uit verschillende hoeken kwamen, met onderbouwde data, werden ze na verloop van tijd wel aanvaard.
Dus ja, samen doen is belangrijk. Maar je moet ook durven benoemen: waarom worden de woorden van een justitie-assistent wel geloofd en die van een terugkeerder niet? Waarom wordt de getuigenis van iemand van kleur sneller in twijfel getrokken? Samen doen zonder die machtsverhoudingen te benoemen en die ongelijkheid bespreekbaar te maken, dat werkt niet. De dialogische praktijk is even essentieel.
We proberen groepen samen te brengen vanuit verschillende, soms tegenovergestelde posities. Dat kan schuren, maar via dialoog kan dat evolueren naar synthese. Tijdens onze slotconferentie zagen we dat ook: de eerste bijeenkomsten waren erg polariserend, maar na verloop van tijd groeide er echt begrip. We hebben ook geleerd dat sommige ontmoetingen te pijnlijk of te confronterend zijn, bijvoorbeeld met families van terugkeerders. Daarom zijn we voorzichtig geworden: we kijken naar de contouren van ontmoetingen en hoe ze helend en transformerend kunnen zijn in plaats van gewelddadig of destructief. Dat vraagt regie, zorg en nuance.

Stijn, jullie aanpak lijkt meer gericht op het praktische samenleven, minder op expliciete dialoog.
Stijn: De confrontatie aangaan via dialoog, dat is een waardevolle methode, maar niet voor iedereen haalbaar. Wat wij doen, is anders, maar aanvullend.
Ik wil eerst nog ingaan op wat Iman bedoelt met “wie spreekt” en de invloed van identiteit op hoe serieus je genomen wordt. Ik begrijp dat, tegelijk merk ik dat privilege ook grenzen heeft. In onze samenleving heerst nog sterk een assimilatie-denken: de idee dat samenleven alleen lukt als verschillen worden gereduceerd. De dominante groep bepaalt wat “onze” waarden en geschiedenis zijn, en anderen moeten zich daaraan aanpassen. Dat kan enigszins evolueren, maar de richting is duidelijk. Wanneer je dat kader in vraag stelt, krijg je weerstand – ook als witte man. Er zijn plekken waar ik nooit zal worden uitgenodigd om te spreken, simpelweg omdat onze boodschap te veel afwijkt.
Wat wij doen, is minder confrontatiegericht, maar wel gericht op alternatieve kaders ontwikkelen. Wij vertrekken vanuit het idee dat wat we wetenschappelijk vaststellen over “plaatsgebonden solidariteit”: mensen die samen iets delen, samen dingen doen – ook zichtbaar is in praktijken van sociaal-culturele organisaties. Zij proberen dat elke dag: samenleven in verschil concreet maken. Wij proberen hun werk te documenteren, te verdiepen, en te onderbouwen met onderzoek. Dat versterkt hun legitimiteit. Zo willen we sociaal-culturele initiatieven die tegen de stroom in roeien, ondersteunen met kennis. We kunnen aantonen: wat jullie doen, werkt. Er zijn voorwaarden, het is niet overal rozengeur en maneschijn, maar het kan werken. Zo bouwen we mee aan een alternatief discours tegenover dat assimilatieverhaal: één dat wetenschappelijk gestaafd is, dat hoopvol is, en dat sociaal-cultureel werk waardeert als motor van verbinding.
Het gaat dus niet om debat winnen, maar om het debat open te houden: ruimte te maken voor complexiteit. We moeten niet naïef zijn: niet iedereen luistert, en de wetenschap wordt vaak selectief gebruikt in het publieke debat. Maar dat ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om inzichten te blijven delen en te institutionaliseren. Zoals Iman zei: je kan niet verwachten dat iets wat je ontdekt vanzelf zijn weg vindt. Je moet het actief verankeren, in instituties, beleid, en samenwerking met het middenveld.
Iman: Dat is inderdaad belangrijk. Door met organisaties samen te werken en hun werk wetenschappelijk te verankeren, kunnen we echt tegengewicht bieden in deze tijd van politieke verharding en groeiende ongelijkheid. De organisaties waarmee ik samenwerk, zouden idealiter gefinancierd moeten worden vanuit cultuurof jeugdbeleid. Maar in realiteit komen hun middelen vaak uit veiligheidsbudgetten. Hun werk wordt dus bekeken vanuit preventie in plaats vanuit emancipatie. Dat maakt hun positie moeilijk. Ze worden beoordeeld vanuit een veiligheidslogica, terwijl ze net werken aan ontmoeting en vertrouwen. Daarom vind ik het essentieel dat wij, als academici, onze geprivilegieerde positie gebruiken om dat middenveld te versterken: om beleidskanalen aan te spreken, om alternatieve financiering te zoeken bijvoorbeeld via Europese projecten. In Europese programma’s is er aandacht voor co-creatie, emancipatie en samenleven. Wij moeten de brug vormen tussen lokale organisaties en internationale netwerken, zodat er opnieuw ruimte komt voor een positief, verbindend narratief. We dragen die verantwoordelijkheid, omdat we vanuit universiteiten meer vrijheid hebben dan veel sociaal-culturele organisaties, die steeds meer onder druk staan.
“Ik geloof sterk in menselijke cracks: kleine barsten in harde structuren waar verandering begint.”
Iman Lechkar
Verbinding, is dat wat er meer nodig is om uitsluiting tegen te gaan?
Stijn: Verbinding is zeker belangrijk, maar ze kan pas ontstaan als er een basis is – iets wat je “sociale infrastructuur” zou kunnen noemen. Denk aan toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, kinderopvang, ontmoetingsruimtes, huisvesting … voorzieningen waardoor mensen gewoon functioneren in de samenleving. Als die infrastructuur ontbreekt, als basisbehoeften niet worden vervuld, dan wordt verbinding moeilijk. Dan ontstaat er frustratie, en dat vertaalt zich in wantrouwen. Pas wanneer mensen zich niet voortdurend tekortgedaan voelen, kan er ruimte zijn om zich open te stellen voor anderen.
Sociale infrastructuur is niet enkel materieel, maar ook symbolisch. Het zijn de gedeelde voorzieningen die van iedereen zijn, waar we elkaar ontmoeten. Als samenleving moeten we dat collectieve fundament versterken. Zonder dat wordt verbindend werk, hoe goed bedoeld ook, een strijd tegen de stroom in.
Iman: Die basisinfrastructuur is absoluut nodig, maar ze moet ook democratisch zijn en mensenrechtenprincipes naleven.
Burgerrechten en anti-discriminatie principes mogen niet enkel op papier bestaan, ze moeten ook gecontroleerd en afgedwongen worden. We zien vandaag, ook internationaal, dat dubbele standaarden en gebrek aan sancties leiden tot een uitholling van het recht. Daarom moeten mensen blijven beseffen dat die verworvenheden niet vanzelfsprekend zijn. Je moet ervoor blijven vechten, op straat komen, ze levend houden.
Vanuit ons onderzoek en vanuit de Fatima Mernissileerstoel willen we dat ook te benadrukken: instellingen zijn machtig, maar er is ruimte voor individuele agency. Mensen in instellingen kunnen verschil maken. In onze onderzoeken naar ongelijkheid zien we structurele uitsluiting, maar we zien ook individuen binnen die structuren die het anders doen. Sommige directeurs of HR-verantwoordelijken geloven in gelijke kansen, anderen handelen ernaar om pragmatische redenen zoals vergrijzing of personeelstekort. Wat hun motivatie ook is, het effect blijft: ze creëren openingen. Ik geloof in de menselijke cracks: kleine barsten in harde structuren, waar verandering begint.
Verbinding heeft structurele strategieën nodig, maar ook geloof in persoonlijke daadkracht. Waarom zou ik naar Brussel trekken om te protesteren tegen een genocide? Wat maakt mijn aanwezigheid uit? Wel, als iedereen zo denkt, verandert er niets. Maar als iedereen beseft dat zijn stem telt, dan kan er wel degelijk een verschil gemaakt worden. Zowel structurele verandering als individuele verantwoordelijkheid zijn nodig.
Stijn: Individueel engagement is cruciaal, maar mensen zijn geen helden die in hun eentje de wereld veranderen. Engagement komt niet vanzelf. Ze hebben steun nodig, ze moeten voelen dat ze niet alleen staan. Dat er collega’s, organisaties of overheden zijn die hun inzet aanmoedigen. Achter elk individu dat verschil maakt, staan structuren: netwerken, organisaties, solidariteit. Rosa Parks zat niet toevallig achteraan in de bus; daar zat mobilisatiewerk achter.
Als wetenschappers hebben we de verantwoordelijkheid om mee te bouwen aan instituties die engagement ondersteunen, en die bescherming en continuïteit bieden. De collectieve infrastructuur is even belangrijk als de individuele daad.

Als jullie één advies mogen geven aan sociaalculturele organisaties: wat is volgens jullie vandaag het belangrijkste om te doen?
Iman: Ik pleit voor meer onderzoek binnen de instellingen zelf. We richten ons vaak op de gemarginaliseerde groepen, maar minder op de instituties die ongelijkheid in stand houden.
Onderzoek moet niet enkel de realiteit weerspiegelen, maar ook uitdagen. Betrek hen als volwaardige partners, dan ontstaan er openingen voor verandering. Iedereen heeft goede bedoelingen, maar in gesprekken binnen instellingen merk je hoe die goede bedoelingen soms botsen met onbewuste vooroordelen of blinde vlekken. Als we die op een constructieve manier kunnen benoemen, dan ontstaat er transformatie.
Daarom moeten instellingen zelf mee in die leerprocessen stappen. Toegang krijgen tot instellingen is niet altijd evident, zeker niet met een kritische blik, maar als iedereen zich opstelt als lerend, wordt verbinding mogelijk.
Als we overtuigd zijn van ons eigen gelijk, bouwen we muren. Maar als we elkaar benaderen met de bereidheid om te leren, ontstaat er beweging. Dat klinkt zacht, maar ik geloof dat die open, lerende en kritische houding essentieel is. In antikoloniaal werk blijft het belangrijk om te benoemen en te politiseren. Maar gehoor krijgen, vraagt gelaagdheid: kritisch en empathisch. Zo zetten we stappen vooruit.
“Verbinding is pas mogelijk als er een basis is – wat ik sociale infrastructuur noem. Zonder dat wordt verbindend werk, hoe goed bedoeld ook, een strijd tegen de stroom in.”
Stijn Oosterlynck
En Stijn, wat wil jij nog toevoegen?
Stijn: Helaas is het middenveld zelf nog lang niet zo divers als het zou moeten zijn. Sociaal-culturele organisaties scoren op dat vlak niet beter dan de rest van de samenleving. Kortgeschoolde mensen en mensen van kleur zijn ondervertegenwoordigd, zeker op beleidsniveaus. Daar is nog werk aan de winkel.
Maar misschien nog belangrijker vandaag: het middenveld moet opnieuw investeren in bewegingswerk en organisatiekracht. We zien veel investeringen in communicatie: campagnes, branding, sociale media … Dat is belangrijk in deze communicatiemaatschappij, maar het mag geen vervanging worden van organisatie. Middenveldorganisaties moeten zich blijven verankeren in de samenleving, een achterban opbouwen, mensen mobiliseren. Mensen in beweging brengen: letterlijk en figuurlijk.
We leven in een tijd waarin polariserende boodschappen snel verspreid worden. Als we daar iets tegenover willen zetten, moeten we aanwezig zijn in de haarvaten van de samenleving, met andere verhalen en met de boodschap dat verandering tijd vraagt, maar mogelijk is.
Dat betekent niet dat we niet scherp mogen zijn. Polarisatie kan ook mobiliseren. Maar we moeten tegelijk een tegenstem bieden tegen het gevoel van fatalisme dat “alles naar de vaantjes gaat”. Het middenveld moet niet alleen communiceren over verbinding, maar ze ook organiseren.
Iman: Klopt. En naast bewegingswerk is het belangrijk om het discours van verbinding te verzoenen met een discours van politisering en activisme. Dat is soms moeilijk voor het sociaal-cultureel werk, omdat activisme snel wordt gezien als “tegen” in plaats van “voor”. Maar systeemkritiek is geen bedreiging voor verbinding, ze kan er net de motor van zijn.
Verbind activisme met hoop, met het verbeelden van alternatieve toekomsten. Hoe kunnen we systeemkritiek koppelen aan waarden als gelijkheid, rechtvaardigheid en mensenrechten? Daar ligt een belangrijke rol voor de sector: niet enkel bruggen bouwen, maar ook onrecht durven benoemen. Verbinden en confronteren. Tegelijkertijd. Dat is geen tegenstelling, maar een noodzakelijke evenwichtsoefening


