Wegwijs

Sociaal-cultureel werk

Korte geschiedenis

Wie het sociaal-cultureel werk van vandaag wil begrijpen, moet een blik werpen op haar geschiedenis. De vele ambities en verschijningsvormen van het sociaal-cultureel werk duiken immers niet uit het niets op.

Sociaal-culturele organisaties ontstaan altijd als een antwoord op maatschappelijke verschuivingen en uitdagingen en nemen een format aan dat daarbij past. Zo is het sociaal-cultureel werk eeuwenoud, maar blijft het springlevend!

Volksverheffing (vanaf 1850)

Midden 19de eeuw bevindt de Belgische staat zich nog in haar kinderschoen. Burgers hebben weinig toegang tot (voortgezet) onderwijs en cultuur. Vanuit een bekommernis voor de “volksopvoeding of volksverheffing” zien de cultuurfondsen het levenslicht.

https://www.canonsociaalwerk.eu

Die fondsen willen een werking ontwikkelen waardoor mensen toegang krijgen tot cultuur in de brede betekenis van het woord: literatuur, koren, uitstappen, toneelkringen, … Zo staan ze in voor de eerste vormen van democratisering van cultuur in Vlaanderen. In het bijzonder ligt hun verdienste in de oprichting van de volksbibliotheken, de voorlopers van onze openbare bibliotheken.

Ook vandaag nog zijn de cultuurfondsen actief: Willemsfonds (1851), Davidsfonds (1875), Vermeylenfonds (1945), Masereelfonds (1969) en Rodenbachfonds (1984 – nu Cultuurlab Vlaanderen).

Verzuiling (vanaf 1875)

De tweede golf van sociaal-culturele organisaties plaatsen we in een breder maatschappelijk verhaal. Einde 19de eeuw zetten de toenemende verstedelijking en de opkomst van het socialisme de maatschappelijke orde onder druk. De belangrijkste ideologische stromen (het katholicisme, het socialisme en het vrijzinnig-liberalisme) stellen zich de vraag hoe ze de massa aan zich kunnen binden.

De verzuiling die zo haar intrede doet is niet alleen gebonden aan ideologie, maar ook aan maatschappelijke posities. Denk aan: boeren, arbeiders, middenstand, ouderen, mannen, vrouwen. Ze geven de kans aan mensen om zich van ‘wieg tot graf’ te verenigen met gelijkgezinden.

De sociaal-culturele organisaties die in deze periode het levenslicht zien, zorgen niet alleen voor een structurering van de massa. We zien ook het ontstaan van een sterk maatschappelijk middenveld waarin mensen een stem krijgen en kunnen wegen op de maatschappelijke orde.

Parallel ontstaan er heel wat organisaties die we nu tot de sector van de amateurkunsten rekenen. Hier ligt de nadruk op culturele ontwikkeling van het volk en de expressie van creativiteit in koren, toneelkringen, fanfares, harmonies …

Ook jongeren verenigingen zich in deze periode steeds meer in organisaties. Zo ontstaat het jeugdwerk uit verschillende bronnen: de zondagsscholen (Chiro), internationale beweging (Scouts), arbeidersbeweging (KAJ), studentenbeweging (KSA) …

Volkshogescholen (vanaf 1950)

De tweede wereldoorlog doet onze samenleving op haar grondvesten daveren waardoor andere noden en modellen van sociaal-cultureel werk zich gaan manifesteren. De economische heropleving zorgt voor een nieuwe democratiseringsgolf (bijv. stemrecht vrouwen) en hogere inkomens. Die bieden meer mogelijkheden voor mensen om zich te ontwikkelen (bijv. meer toegang tot hoger onderwijs) en zich na(aast) hun schoolse opleiding verder te bekwamen.

Internationaal (Denemarken, Duitsland …) ontstaan de eerste volkshogescholen. Plaatsen waar mensen zich kunnen bijscholen in allerhande thema’s (psychologie, literatuur …) die niet een professionele maar persoonlijke ontwikkeling als doel hebben.

Vlaanderen volgt al snel. Begin jaren 50 zien we het ontstaan van de Stichting Lodewijk de Raet. Een vormingsinstelling die zich zuildoorbrekend opstelt en een belangrijke rol speelt bij het opstarten van de eerste dialoog over de verschillende onderwijsnetten heen. Elcker-Ik groeit uit tot een echt maatschappelijk laboratorium dat in de daaropvolgende decennia mee aan de wieg staat van de eerste sociaal-economische initiatieven en op allerhande manieren mee vormgeeft aan politieke actie in de maatschappij.

En ze zijn niet alleen. In hun zog ontstaat een amalgaam van allerlei gespecialiseerde of regionale vormingsinstellingen die de oriëntatie op het persoonlijk bekwamen of de persoonlijke ontwikkeling met elkaar gemeen hebben. Los van de verzuiling en weg van het model van de lokale vereniging. Het individueel levens- en leertraject staat centraal en mensen stippelen hun eigen traject uit. Binnen het huidig sociaal-cultureel werk zijn vooral de Avansa’s de erfgenamen van de volkshogescholen.

Lokaal cultuurbeleid, samenlevingsopbouw en basiseducatie (vanaf 1960)

In de jaren 60 en 70 wordt het klassieke verenigings- en bewegingsmodel verder doorbroken. Er ontstaan allerlei initiatieven die lokale ontmoeting koppelen aan een open, niet-zuilgebonden, karakter: buurt- en jeugdhuizen, jeugdateliers, speelpleinwerkingen, lokale ontmoetingscentra, migrantenverenigingen …

Ook de overheid begint te investeren in een meer open gemeenschapsgerichte culturele infrastructuur. Cultuurcentra zien het levenslicht, later ook kunstencentra. Gemeenten krijgen de verplichting opgelegd om een lokale bibliotheek op te zetten. Zo krijgt de volksontwikkelingsgedachte opnieuw een nieuwe gedaante aangemeten waarbij de democratisering van cultuur als grondtoon van het sociaal-cultureel werk overeind blijft.

Maar die culturele grondtoon en volksontwikkelingsgedachte worden tegelijkertijd vanaf de jaren 60 verrijkt met de komst van maatschappelijk georiënteerde, meer politiserend werkende organisaties. Denk aan buurt- en opbouwwerk waarbij ingezet wordt op het versterken van gemeenschappen en het wegwerken van sociale onrechtvaardigheden. Dat opbouwwerk is gebaseerd op het idee dat de samenleving op een gerichte manier kan worden vormgegeven (community development). In de jaren 80 wordt het opbouwwerk onttrokken uit het sociaal-cultureel werk en doorgeschoven naar de welzijnssector. Hierdoor krijgt het opbouwwerk een welzijnskarakter en verdwijnen politiserende vraagstukken naar de achtergrond.

De toenemende complexiteit van de samenleving brengt ook hogere eisen voor burgers met zich mee. Zo wordt analfabetisme steeds meer een hinderpaal voor leven en werk. Sociaal-culturele organisaties ontplooien verschillende initiatieven om mensen op dit vlak te ondersteunen. Naar aanleiding van het experiment ‘Basiseducatie’ vindt in de jaren 80 een overheveling van deze initiatieven richting onderwijs plaats waar het gaandeweg ook het formele karakter heeft van overgenomen.

Nog in de jaren zestig zien we de geboorte van de NGO-sector. Met de dekolonisatie komt de traditionele verhouding tussen het Westen en het Zuiden onder druk te staan. Er ontstaan allerlei organisaties die inzetten op het idee van ontwikkelingssamenwerking. In eerste instantie vaak vanuit een caritatieve benadering, maar later ook vanuit een politieke gedachte om structureel een andere verhouding met het Zuiden aan te gaan. Hun werking met vrijwilligers en lokale groepen raakt aan het sociaal-cultureel werk.

Nieuwe sociale bewegingen (vanaf 1960)

Sinds het einde van de jaren 60 zien we de opkomst van heel wat nieuwe sociale bewegingen rond specifieke thema’s: feminisme, milieu, vrede, mensenrechten, gender, armoede, dierenrechten, circulaire economie … Waar verenigingen en bewegingen van oudsher zeer breed en ideologisch waren gekleurd, focussen de nieuwe sociale bewegingen van de jaren 60, 70 en 80 zich op een thematiek. Het is een andere manier om de massa te mobiliseren, aan politieke agendasetting te doen en de samenleving vorm te geven.

Sociaal-culturele organisaties gaan zich meer oriënteren op de vraag hoe ze de samenleving kunnen maken, een verschuiving weg van de focus op zelfontwikkeling en -ontplooiing. De politiek betekenis en het civiel perspectief komen daarmee terug in het vizier, waarbij het sociaal-cultureel werk als een middenveldactor in de samenleving wordt geplaatst.

Het werk van sociaal-culturele organisaties is er vaak een van lange adem, maar met duidelijke resultaten op een aantal gebieden. Denk maar aan de komst van het homohuwelijk door de volgehouden inspanningen van de genderbeweging.

Burgerinitiatieven (vanaf 2000)

Ook burgerinitiatieven willen de samenleving vormgeven. Hier gaat het vaak over lokale initiatieven, die gericht zijn op doén, op het aanpakken van een probleem dat zich stelt of een uitdaging die zich aandient.

Momenteel is het geheel van al die burgerinitiatieven nog wat ongrijpbaar. Vaak worden in grote verscheidenheid nieuwe vormen van verenigen, van aanpak ontwikkeld. Soms nemen ze taken op die doorgaans door de overheid worden gedaan, denk bij voorbeeld aan burgers die samen instaan voor de aanleg van een plein. Of het gaat over gemeenschapsvormende initiatieven, bijvoorbeeld burgers die samen een tuintje beheren. Of ze ontstaan als actiecomité, al dan niet politiek gekleurd, om een probleem op lokaal of regionaal niveau aan te pakken. …

Burgerinitiatieven zijn moeilijk onder één noemer te plaatsen, maar proberen op hun manier een antwoord te formuleren op maatschappelijke uitdagingen die zich stellen. Zo zijn ze een nieuwe voedingsbodem voor een sociaal-cultureel werk dat voortdurend in verandering is.

Meer weten?

Wil je meer weten over de geschiedenis van het sociaal-cultureel werk in Vlaanderen? Neem dan een kijkje in de Canon sociaal-cultureel werk.

Scroll to Top